13/01/2026

De politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, heeft een bedrijf in graafwerken, haar zaakvoerder en twee ex-werknemers veroordeeld wegens onopzettelijke doding. De beklaagden waren verantwoordelijk voor rioolwerken aan de Korenmarkt in Izegem. Als gevolg van een uiterst onveilige situatie op de plaats van de werken overleed een man nadat hij in de werfput was gevallen.

Feiten

Op 25 januari 2022 rond 21.43 uur verliet een man het café ‘Lagaar aan de Korenmarkt in Izegem. Ter hoogte van café ‘Koornmarkt’ lagen houten planken op het voetpad. Toen de man over deze houten planken liep, zou hij  volgens een getuige zijn gestruikeld of zich hebben misstapt, waardoor hij in een diepe put viel die was gevuld met water, modder en buizen. Het slachtoffer werd in kritieke toestand met de MUG naar de spoeddienst van AZ Delta te Roeselare overgebracht, waar hij op woensdag 26 januari 2022 om 14.57 uur overleed. 

Rioleringswerken

Op de plaats van de put waren rioleringswerken aan de gang, die op 17 januari 2022 waren gestart in onderaanneming door de firma DSS Infra BV (eerste beklaagde), met de tweede beklaagde als zaakvoerder. De derde en vierde beklaagde waren als werknemer en werfleider in dienst van de eerste beklaagde aan de put aan het werk. Dit gebeurde in opdracht van de vijfde beklaagde (firma Verbraeken Infra NV) en diens (mede)bestuurder (zesde beklaagde).

Na 1 dag werden de werken stilgelegd omdat men de correcte ligging van de hoofdriool niet vond. Pas op maandag 24 januari 2022 ging opdrachtgever Fluvius ter plaatse om de ligging van de hoofdriool te detecteren. De juiste werd op dinsdag 25 januari 2022 (de dag van de dodelijke val) aan de betrokken uitvoerders doorgegeven, met de vraag om deze opdracht verder af te werken. De herstart van de werken aan het riool in Izegem stonden gepland op woensdag 26 januari 2022.

Sinds 17 januari was de situatie aan de put als volgt: houten loopplanken op het voetpad, afgeschermd met één plastieken nadar (niet vastgehecht aan enig andere afsluiting) met twee bakens met rood-wit opstaand verlengstuk, net naast de openliggende put op de parkeerstrook aan de zijde van de rijbaan. Pas op 26 januari 2022 werd de signalisatie aan de put aangepast.

Tenlastelegging

Op basis van het gerechtelijk onderzoek moesten zes beklaagden zich voor de politierechtbank verantwoorden voor onopzettelijke doding. 

Burgerlijke aansprakelijkheid

Hoewel het slachtoffer zwaar geïntoxiceerd was op het ogenblik van de feiten (2,8 promille), is een staat van dronkenschap geenszins bewezen. Geen enkel gegeven uit het strafonderzoek laat toe met zekerheid aan te nemen dat het slachtoffer als gevolg van een staat van dronkenschap op de OSB-platen op het voetpad is uitgegleden en in de put viel. Het slachtoffer mocht er ook redelijkerwijs van uitgaan dat het voetpad op die plaats en dat uur van de dag voldoende beveiligd was. Het slachtoffer heeft bijgevolg geen enkele schuld aan het ongeval.

Beoordeling schuldvraag 

Volgens de rechtbank bestaat er geen twijfel over de gebrekkige signalisatie van de put en de daaruit voortvloeiende uiterst onveilige situatie op het ogenblik van het ongeval. De rechtbank verwijst hiervoor naar de reacties van alle aanwezigen (getuige, omstaanders, hulpdiensten) en de twee foto’s die Fluvius op de dag voor het ongeval op de locatie had genomen.

De put was niet of onvoldoende gesignaleerd, terwijl het op die plaats donker of minstens weinig tot niet verlicht was. Bovendien was de doorgang op het voetpad over de put slechts mogelijk via twee losliggende OSB-platen (die bovendien doorbogen als men erover liep). De overgang tussen de put op het voetpad en de put op de rijbaan (die volledig open lag!) was slechts door één losstaande plastiek hekken en één plastiek signalisatiepaaltje afgebakend.

Eerste en tweede beklaagde (DSS Infra BV en de zaakvoerder)

De rechtbank oordeelt dat er een intrinsiek verband bestaat tussen het misdrijf van onopzettelijke doding van het slachtoffer en de eerste en tweede beklaagde:

  • De rioleringswerken op de plaats van het ongeval gebeurden, weliswaar in onderaanneming, in opdracht van de eerste beklaagde (en niet in rechtstreekse opdracht van de vijfde beklaagde).
  • Een gebrekkig communicatiebeleid tussen de zaakvoerder, de twee werknemers en de hoofdaannemer lag aan de basis van het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid tijdens en na de werken. De twee werknemers kregen onvoldoende gegevens en instructies over hoe zij de werken op het terrein effectief moesten uitvoeren en welke signalisatiematerialen ze moesten voorzien. 
  • De eerste en tweede beklaagde hebben geen nauwlettende controle, leiding en nazicht op de werken uitgevoerd. Dergelijk verzuim is een persoonlijke en individuele fout of onvoorzichtigheid in hoofde van de zaakvoerder, die in rechtstreeks oorzakelijk verband staat met het ontstaan van het ongeval.
  • Beide beklaagden hadden tijdens het graven van de put op 17 januari 2022 kunnen anticiperen op de onveilige situatie. Zo had men een metalen (of plastieken) loopbrug met leuningen of enig ander veiliger signalisatiemateriaal in het bedrijf kunnen ophalen om de toestand aan de put maximaal te beveiligen. 
  • Gezien het tijdsverloop tussen het graven van de put (op 17/1/2022) en de verderzetting van de werken (voorzien op 26//1/2022) had men ruim de tijd om aan de gebrekkige signalisatie van de put en de onveilige situatie ter plaatse te verhelpen. Zowel de eerste als de tweede beklaagde bleef gans die tijd in gebreke en liet na om ook maar iets aan deze onveilige situatie te doen.
  • De eerste beklaagde kan niet aan strafrechtelijke aansprakelijkheid ontsnappen door te verwijzen naar de inhoud van de raamovereenkomst tussen de vijfde beklaagde (Verbraeken Infra NV) en Fluvius, waaruit voortvloeit dat de vijfde beklaagde moet instaan voor de vergunning, het signalisatieplan en de signalisatie (o.a. stevige leuningen). Strafrechtelijke en buitencontractuele aansprakelijkheid is namelijk te onderscheiden van contractuele aansprakelijkheid ten aanzien van derden.

Derde beklaagde

Ondanks een zogenaamde taakverdeling - waarbij de derde beklaagde naar eigen zeggen alleen instond voor graaf- en aansluitingswerken en niet voor het plaatsen van een veilige signalisatie op werfplaatsen - was de derde beklaagde volgens de rechtbank wel degelijk verplicht om de uitgevoerde werken behoorlijk te signaleren en de (werf)put veilig achter te laten. Bovendien blijkt uit niets dat de derde en vierde beklaagde elk afzonderlijke taken hadden.

Vierde beklaagde

Samen met de derde beklaagde was de vierde beklaagde als ‘werfleider’ de daadwerkelijke uitvoerder van de werken ter plaatse. Hierdoor stond hij mee in voor de signalisatie en de beveiliging van de werf, waaronder de put op het voetpad. Het achterlaten van een dergelijk gebrekkig gesignaleerde put en onveilige toestand constitueert zijn gebrek aan voorzichtigheid en voorzorg.

De bewering van de vierde beklaagde dat de signalisatie en beveiliging van de put na de werken op 17 januari 2022 door andere personen (aannemers) mogelijk werd gewijzigd, is niet bewezen. Ze wordt evenmin door enig objectief element uit het strafdossier aannemelijk gemaakt.

Vijfde en zesde beklaagde

Naar het oordeel van de rechtbank kan aan de vijfde beklaagde en de zesde beklaagde geen fout worden toegerekend in oorzakelijk verband met het ongeval. De verplichting om de veiligheidssituatie bij werken te beoordelen, ligt uitsluitend bij de uitvoerders van de werken ter plaatse én hun werkgever (in dit geval de eerste, tweede, derde en vierde beklaagde). De vijfde en zesde beklaagde mochten er terecht van uit gaan dat de vier andere beklaagden als professionele onderaannemers de werken naar behoren zouden uitvoeren. 

Een onderaannemer moet namelijk de perfecte uitvoering van de opdrachten garanderen en de volledige verantwoordelijkheid van de hoofdaannemer overnemen. Bovendien moet de onderaannemer zelf het toezicht uitoefenen op zijn werk en moet hij alle voorzorgsmaatregelen nemen voor de veiligheid van zijn personeel en van derden.

Het verstrijken van de vergunningsperiode (indien dit al kon toegerekend worden aan de vijfde beklaagde) staat niet in oorzakelijk verband staat met het ontstaan van het ongeval. Het ongeval gebeurde niet omdat de werken niet meer vergund waren, maar door een gebrekkige signalisatie van de put waarrond geen veilige afbakening werd georganiseerd.

Strafmaat

De politierechtbank sprak volgende veroordelingen uit.

Eerste beklaagde: een boete van 24.000 euro met uitstel voor een bedrag van 4.800 euro.

Tweede beklaagde: een gevangenisstraf van 3 maanden met uitstel en een geldboete van 2.400 euro.

Derde beklaagde: een gevangenisstraf van 3 maanden met uitstel en een geldboete van 1.600 euro.

Vierde beklaagde: een gevangenisstraf van 3 maanden met uitstel en een geldboete van 2.000 euro.

Aan de burgerlijke partijen werd een totale schadevergoeding van 42.265,94 euro toegekend.

Motivering politierechtbank

De politierechtbank hield bij haar oordeel onder andere rekening met volgende elementen:

  • Het misdrijf van onopzettelijke doding is objectief gezien bijzonder ernstig. De strikte naleving van wettelijke veiligheidsverplichtingen van een werf ten aanzien van derden is een noodzakelijke voorwaarde voor het uitoefenen van professionele activiteiten. Van een professionele onderaannemer mag worden verwacht dat ze deze verplichtingen nauwgezet naleeft èn opvolgt.

  • Het (gunstig en ongunstig) strafverleden van de beklaagden.