28/10/2026

De rechtbank van eerste aanleg Leuven heeft vandaag een beklaagde veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van drie jaar wegens ernstige geweldpleging tegen een medegevangene. De feiten vonden plaats op 25 juli 2024 in de keuken van de gevangenis Leuven Centraal. In haar vonnis spreekt de rechtbank van bijzonder ernstige feiten. Zij stelt vast dat de beklaagde, ondanks een langdurige detentie, blijft terugvallen op ernstig geweld en bedreigingen.


Feiten

De feiten speelden zich af op 25 juli 2024 in de gevangenis van Leuven Centraal. De beklaagde was, net als twee medegedetineerden (hierna: ‘burgerlijke partij 1’ en ‘burgerlijke partij 2’), op dat ogenblik opgesloten op dezelfde afdeling, waar een open regime gold.

Tussen 10 en 11 uur begaf de beklaagde zich naar de keuken, waar hij een steelpan met suikerwater opwarmde tot de vloeistof kookte. Vervolgens liep hij met de steelpan naar de gang, waar beide medegedetineerden (‘burgerlijke partij 1’ en ‘burgerlijke partij 2’) in gesprek waren met twee penitentiaire beambten.

Zonder iets te zeggen liep de beklaagde af op medegedetineerde ‘burgerlijke partij 1’, die met zijn rug naar hem toe stond. Met een zwaaiende beweging gooide hij de inhoud van de steelpan over diens lichaam. Daarbij kregen ook de omstaanders, onder wie twee penitentiaire beambten en medegedetineerde ‘burgerlijke partij 2’, een deel van de hete vloeistof over zich heen.

Daarna wandelde de beklaagde rustig weg van de plaats van de feiten. Hij hield daarbij een botermes in zijn rechterhand en wachtte af. Toen een andere, ter hulp gesnelde penitentiaire beambte hem daarom vroeg, gaf hij het mes vrijwillig af.

Iets meer dan een maand later, op 27 augustus 2024, ontving de gevangenis van Leuven Centraal een brief gericht aan medegedetineerde ‘burgerlijke partij 1’. Als afzender stond de beklaagde vermeld, die op dat moment opgesloten zat in de gevangenis van Hasselt. In die brief uitte de beklaagde ernstige bedreigingen aan het adres van ‘burgerlijke partij 1’. Zo schreef hij onder meer dat hij hem gedurende maanden zou martelen zodra hij opnieuw in vrijheid werd gesteld. Voorts stelde hij dat hij hem in leven zou laten, maar ervoor zou zorgen dat hij “blind, doof en stom” werd alvorens hem los te laten.


Oordeel rechtbank

De rechtbank van eerste aanleg Leuven acht de beklaagde schuldig aan:

  • opzettelijke slagen of verwondingen met voorbedachte rade, met als gevolg een arbeidsongeschiktheid van minder dan of gelijk aan vier maanden ten aanzien van een medegedetineerde (tenlastelegging A). 
    Uit het deskundigenverslag blijkt dat mede-gedetineerde ‘burgerlijke partij 1’ arbeidsongeschikt was van 25 juli 2024 tot 29 augustus 2024. De rechtbank stelt verder vast dat de feiten aanzienlijke en blijvende littekenvorming hebben veroorzaakt. De vastgestelde letsels leiden evenwel niet tot het verlies van een lichaamsdeel of orgaan, een ernstige aantasting van een lichaamsfunctie, noch tot een dermate ingrijpende en blijvende aantasting van het uiterlijk dat sprake is van een zware verminking.
     
  • opzettelijke slagen of verwondingen ten aanzien van een medegedetineerde en twee penitentiaire beambten (tenlastelegging B).
    Ook medegedetineerde ‘burgerlijke partij 2’ en twee penitentiaire beambten werden slachtoffer van de gewelddadige handeling van de beklaagde op 25 juli 2024. Dat hun verwondingen beperkt bleven, doet geen afbreuk aan het feit dat zij voortvloeien uit een opzettelijk gestelde daad.
     
  • het dragen van een keukenmes als wapen (tenlastelegging C).
    De rechtbank besluit dat de beklaagde op 25 juli 2024 het mes vasthield met de bedoeling het tegen personen te gebruiken indien derden zouden tussenkomen. Dat de beklaagde uiteindelijk geen stekende beweging maakte en het mes vrijwillig afgaf aan de penitentiaire beambte, doet geen afbreuk aan die intentie.
     
  • schriftelijke bedreigingen ten aanzien van een medegedetineerde (tenlastelegging D).
    Volgens de rechtbank laat de inhoud van de brief van 27 augustus 2024 gericht aan medegedetineerde ‘burgerlijke partij 1’ geen ruimte voor twijfel over de bedoelingen van de beklaagde.

 

Uitspraak rechtbank

De rechtbank veroordeelt de beklaagde voor de bewezen tenlasteleggingen A, B, C en D tot een effectieve gevangenisstraf van drie jaar.

Op burgerlijk vlak wordt de beklaagde veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan twee medegedetineerden, namelijk 8.163,40 euro aan ‘burgerlijke partij 1’ en 250 euro aan ‘burgerlijke partij 2’.
 


Motivering rechtbank

De rechtbank noemt de gepleegde feiten bijzonder ernstig. Ze getuigen van een aanzienlijke agressiviteit en een verregaande minachting voor de fysieke integriteit van anderen.

De rechtbank houdt daarnaast ook rekening met het strafrechtelijke verleden van de beklaagde. Uit zijn strafblad blijkt dat hij reeds meermaals werd veroordeeld voor ernstige feiten.

Uit de maatschappelijke enquête van 21 mei 2024 blijkt bovendien dat de beklaagde de neiging heeft geweld te richten tegen personen van wie hij meent dat zij dit “verdienen”. De rechtbank stelt vast dat dit patroon zich ook in deze zaak manifesteert. Medegedetineerde ‘burgerlijke partij 1’ was veroordeeld voor zedenmisdrijven en het is duidelijk dat de beklaagde om die reden meende zich tegen hem te mogen keren.

Tot slot stelt de rechtbank vast dat de beklaagde, ondanks zijn langdurige detentie sinds 2009, blijft terugvallen op ernstig geweld en bedreigingen. De huidige feiten tonen aan dat nog steeds sprake is van een zorgwekkende gewelddadige ingesteldheid en dat het risico op nieuwe geweldsfeiten reëel blijft.

Gelet op de uitzonderlijke ernst van de feiten, het bijzonder belastende strafverleden van de beklaagde en de noodzaak om de maatschappij te beschermen, is volgens de rechtbank een effectieve gevangenisstraf passend.