Man veroordeeld na verkeersagressie met dodelijke afloop

23/02/2026

De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge heeft een man veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar met uitstel voor een termijn van vijf jaar wegens opzettelijke slagen met de dood tot gevolg en het weigeren hulp te verlenen. Bij een banale verkeersdiscussie had de beklaagde een fietser in de gracht geduwd, waarna deze aan zijn verwondingen overleed.

Feiten
Op 2 juli 2023 werd een fietsend koppel ingehaald door beklaagde op een speed pedelec. Het kwam tot een discussie tussen de beklaagde en de mannelijke fietser. De beklaagde gaf een duw aan de man die daarop in de gracht naast de rijweg viel. Omdat de man meteen na de val niet meer reageerde, riep zijn vrouw naar de beklaagde om hulp te bieden. De beklaagde zag het bewusteloze slachtoffer maar stapte terug op zijn speed pedelec en reed weg.

Het slachtoffer overleed tien dagen na de feiten in het ziekenhuis. De wetsdokter adviseert dat er sprake was van een ernstig trauma. Er was een schaafwonde op het achterhoofd waaronder talrijke bloedingen zichtbaar waren, een breuk van de tweede cervicale wervel en een bloedingshaard in het cervicale ruggenmerg. Zijn dood was het gevolg van een postanoxemisch hersenlijden, ten gevolge een langdurig zuurstoftekort van de hersenen veroorzaakt door een posttraumatische hartstilstand.

Aan de hand van de gegeven persoonsbeschrijving en omschrijving van de kledij kon de beklaagde spoedig geïdentificeerd worden. Nadat hij eerst alle betrokkenheid ontkende, verklaarde hij later dat er een handgemeen was geweest. Volgens de beklaagde had hij niet geduwd, maar viel hij zelf ook op zijn rug in de gracht, waarna hij in paniek zou weggereden zijn.

Tenlastelegging
De beklaagde is schuldig aan opzettelijke slagen met de dood tot gevolg en het weigeren hulp te verlenen. De rechtbank hield bij haar beoordeling onder andere rekening met volgende elementen:

  • De beklaagde stelt dat er een schermutseling heeft plaatsgevonden, die ertoe leidde dat het slachtoffer in de gracht viel en zijn nek brak. Deze beweerdelijke schermutseling kon enkel gebeuren omdat de beklaagde besloot verhaal te halen bij het slachtoffer, in plaats van zijn weg verder te zetten. Hij ging met andere woorden de confrontatie aan en startte het handgemeen. Hieruit blijkt zijn opzet.
  • De rechtbank gelooft niet dat de beklaagde niet zou geduwd hebben en ook zelf op zijn rug in de gracht zou gevallen zijn. Meerdere elementen uit het dossier ontkrachten dit. Zo waren onder meer de kleren van de beklaagde niet vuil en waren kwetsbare objecten (bord, frangipanetaartje en een bus melk) in de rugzak die hij op zijn rug droeg nog intact.
  • Er was geen sprake van wettige zelfverdediging. De beklaagde maakt niet aannemelijk dat er voor hem een onmiddellijke dreiging met een groot gevaar zou geweest zijn.
  • De beweringen van de beklaagde over het gedrag van het slachtoffer worden niet gestaafd door het strafdossier en zijn niet consistent. De beklaagde verklaarde
    eerst bij de kledij gegrepen te zijn, later werd dit bij de keel gegrepen en nog later bij de kraag gegrepen. De beklaagde slaagt er derhalve allerminst in de rechtbank ervan te overtuigen dat het slachtoffer enige zware (uitlokkende) gewelddaad zou hebben gesteld.
  • Het wordt niet betwist dat de beklaagde bij het zien van het bewusteloze slachtoffer op zijn fiets sprong en wegreed. Nadien aanschouwde hij, blijkens verklaringen van hemzelf en van een getuige, vanop een brug nog enige tijd de plaats-delict. Op geen enkel moment trachtte hij het slachtoffer te helpen of zelfs maar de hulpdiensten te verwittigen, ondanks de kennelijk zeer hachelijke medische toestand van het slachtoffer. Door in die omstandigheden bewust te weigeren hulp te verschaffen, pleegde de beklaagde schuldig verzuim.

Strafmaat en schadevergoeding
De rechtbank veroordeelde de beklaagde tot een gevangenisstraf van drie jaar met uitstel voor een termijn van vijf jaar. De rechtbank hield hierbij onder andere rekening met volgende elementen:

  • De uitermate ernstige feiten getuigen van een gebrekkige gedragscontrole, een agressieve ingesteldheid, een flagrant gebrek aan respect voor de fysieke integriteit van de medemens en een totaal gebrek aan verantwoordelijkheidszin. Zo bracht een banale opmerking van een medefietser de beklaagde ertoe de confrontatie op te zoeken en fysiek geweld te gebruiken. Geconfronteerd met de dramatische gevolgen van zijn handelen, maakte hij zich uit de voeten.
  • Het strafrechtelijke verleden van de beklaagde toont vier eerdere veroordelingen voor de politierechtbank en een (gedateerde) opschorting voor slagen of verwondingen.
  • Tijdens het gerechtelijk onderzoek werd de beklaagde vrijgelaten onder voorwaarden, die hij integraal is nagekomen. Hij volgde onder meer een cursus agressiebeheersing. De justitieassistente schreef dat ze geen verdere werkpunten zag.
  • Een werkstraf (wettelijk beperkt tot 300 uren) zou geen passende maatschappelijke reactie uitmaken rekening houdend met de ernst van de gepleegde feiten, terwijl de opgelegde straf ook een meer ontradende uitwerking zal hebben om de beklaagde ervan te weerhouden in de toekomst nieuwe misdrijven te plegen.

Aan de burgerlijke partijen moet de beklaagde in totaal een schadevergoeding van 81 540,70 euro en 7 063,95 euro aan rechtsplegingvergoeding betalen. Er werd onder meer een morele schadevergoeding van 45 000 euro toegekend aan de weduwe die met het slachtoffer 50 jaar getrouwd was en als gepensioneerden dag en nacht samen doorbrachten, terwijl zij eveneens getuige was van de feiten, hetgeen bijzonder traumatiserend was. Aan de dochter werd een morele schadevergoeding van 30 000 euro toegekend.